
Claudio Monteverdi (1567–1643) was een Italiaanse componist en geldt als een van de belangrijkste vernieuwers in de vroege geschiedenis van de opera. Zijn werk markeert de overgang van de renaissance naar de barok en speelde een beslissende rol in de ontwikkeling van het muziektheater.
Op deze pagina vind je een overzicht van Monteverdi’s belangrijkste vocale werken, in het bijzonder zijn madrigalen , opera’s en kerkelijke werken, met Nederlandse vertalingen van teksten en libretti die beschikbaar zijn als PDF. Deze vertalingen zijn bedoeld voor geïnteresseerde luisteraars die de dramaturgie en tekstuele opbouw van Monteverdi’s werken beter willen begrijpen.
-
Werken – Madrigalen
-
Werken – Opera’s
-
Overige werken
-
Leven
-
Oeuvre
Hieronder vind je een overzicht van de madrigaalboeken van Claudio Monteverdi waarvoor Nederlandse vertalingen van de teksten beschikbaar zijn op Lyrica. De vertalingen zijn bedoeld als hulpmiddel bij studie, uitvoering of als luisterbegeleiding.
-

Madrigalen boek 1 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 2 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 3 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 4 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 5 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 6 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 7 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 8 (C. Monteverdi)
€ 0,00 Toevoegen aan winkelwagen -

Madrigalen boek 9 (C. Monteverdi)
€ 2,00 Toevoegen aan winkelwagen
Hieronder vind je een overzicht van de opera’s van Claudio Monteverdi waarvoor Nederlandse vertalingen van de libretti beschikbaar zijn op Lyrica. Deze vertalingen helpen bij studie, uitvoering en het beter begrijpen van de dramaturgie en tekst van deze meesterwerken. Onze vertaling van l’Orfeo kan je gratis downloaden.
Deze meesterwerken mochten zeker niet ontbreken in ons aanbod. De Nederlandse vertalingen van de teksten zijn beschikbaar op Lyrica. Lees zeker ons nieuwsbericht van de Mariavespers.
Claudio Monteverdi (1567-1643)
Claudio Monteverdi werd in 1567 in Cremona geboren, vermoedelijk rond 15 mei, de dag waarop hij werd gedoopt. Hij begon zijn loopbaan als koorknaap aan de plaatselijke kathedraal en als drieëntwintigjarige trad hij in dienst bij de hertogelijke Gonzaga-familie in Mantua. Daar kwam hij in contact met de muziek van Giaches de Wert (1535-1596), Giovanni Gastoldi († 1622) en Ludovico Grossi Viadana (1556-1645). Als lid van het gevolg van de hertog reisde hij mee op expeditie tegen de Turken in Hongarije en in 1599 o. a. naar Antwerpen, Luik en Brussel. Zonder twijfel deed Monteverdi ook hier waardevolle ervaring op in verband met de composities van de late Franco-Vlaamse polyfonisten. Hun blijvende invloed is terug te vinden in de polyfone stijl uit heel wat kerkelijke muziek van Monteverdi, die hij zelf aanduidde met de term prima prattica.
Monteverdi werd evenwel ook een van de voormannen van wat hij de seconda prattica noemde, de avant-garde muziek die vanaf ca. 1580 opgang maakte, voornamelijk in de Florentijnse Camerata dei Bardi, ook Camerata Fiorentina genoemd. Terwijl de Franco-Vlamingen hun complexe polyfonie volgens de aloude kerktoonsoorten componeerden, maakte een jongere generatie gebruik van de nieuwste inzichten, die het gebruik van grote en kleine tertstoonaarden voorhield. De principes die tot deze componeertrant leidden werden voor het eerst door Gioseffo Zarlino (1517-1590) bestudeerd. Zijn visie verscheen al in 1558 in een opzienbarend werk Le Istitutioni Harmoniche, dat de basis zou worden voor de ontwikkeling van het klassieke toonstelsel.
De inzichten werden door de Camerata in praktijk gebracht in een stijl die de weg opende naar emotionaliteit, individualiteit en subjectiviteit. De verbinding van woord en muziek diende te leiden tot de grootst mogelijke expressie van gevoelens om ontroering op te wekken en door te dringen tot de diepten van de menselijke ziel. Volgens Vincenzo Galilei (1520-1591, componist en muziekdenker van de Camerata, tevens vader van Galileo) kon deze antropocentrische benadering het best gerealiseerd worden door de monodische stijl: de eenstemmige zang, ondersteund door een akkoordbegeleiding, de basso continuo. Deze muziekstijl bleek zich overigens bijzonder goed te lenen om een andere doelstelling van de Camerata te realiseren: de herleving van de Griekse tragedie. De leden van de Camerata veronderstelden namelijk dat muziek een primordiale rol had gespeeld in het reciteren van de tragedieteksten, wat leidde tot de invoering van een zogenaamd recitar cantando, een vorm van zingend spreken, dat perfect aansloot bij de monodische stijl.
De Stile recitativo e rappresentativo kreeg vooral vanaf de laatste jaren van de 16de en de eerste decennia van de 17de eeuw zijn beslag in een aantal omvangrijker werken: in 1597 componeerde Jacopo Peri (1561-1633) La Dafne, maar dit werk is verloren gegaan en in het jaar 1600 brachten zowel Jacopo Peri als Giulio Caccini (ca. 1545-1618) een versie van L’Euridice.
In 1607 componeerde Monteverdi zijn historische L’Orfeo, die terecht als de eerste waarachtige opera wordt beschouwd. De eerste uitvoering in Mantua vond plaats voor een select gezelschap in de kleine zaal van de Academia degl’Invaghiti en twee jaar later publiceerde Monteverdi het werk, zodat het aan een groter publiek kon worden voorgesteld.
Het jaar 1607 was niet enkel een succesvol jaar, maar ook een dramatisch jaar voor Monteverdi, want enkele maanden na de eerste opvoering van L’Orfeo stierf zijn vrouw, de zangeres Claudia Cattaneo (1576-1607), met wie hij in 1599 was getrouwd en die hem drie kinderen schonk, waarvan een vroegtijdig overleed. Het belette hem niet om het volgende jaar L’Arianna op te voeren. Van deze opera is enkel een fragment bewaard, het beroemde Lamento d’Arianna.
In 1610 verscheen Monteverdi’s eerste belangrijke bundel geestelijke muziek, opgedragen aan paus Paulus V. De verzameling bevatte een mis, gebaseerd op thema’s uit een zesstemmig motet van Nicolas Gombert (ca. 1495-ca. 1560) met als tekst Lucas 11, vers 27/28 In illo tempore loquente Jesu … Deze zesstemmige a capellacompositie in de zeer traditionele prima prattica-stijl beantwoorde volkomen aan de toen geldende pontificale directieven voor de religieuze muziek. Al het overige uit die verzameling, de Vespro della Beata Vergine, voorzag Monteverdi doelbewust van titels in onopvallende letters, alsof het om een minder belangrijke appendix ging. Hij stond erop de pauselijke goedkeuring te verkrijgen voor zijn composities en hij was er zich zeer goed van bewust dat het revolutionaire karakter van de Maria-Vespers problemen kon opleveren. Vermoedelijk bevredigde zijn werksituatie in Mantua hem niet meer en zocht hij in Rome voor zichzelf een post en een plek voor zijn zoon in een priesterseminarie, maar de opdracht van zijn bundel had niet het verhoopte succes. Het werd nog erger toen in 1612 hertog Vincenzo overleed en Monteverdi op staande voet werd ontslagen door zijn opvolger Francesco. Financiële problemen van de hertog zouden aan de basis hebben gelegen, maar misschien speelde ook het ongenoegen van de hertog een rol, toen Monteverdi gesuggereerd had dat hij misschien elders aan de slag kon gaan.
Gelukkig werd Monteverdi op 19 augustus 1613 aangesteld als Maestro di capella aan de San Marco in Venetië. Door zijn functie had hij de muzikale leiding van de stad en was daarmee financieel onafhankelijk geworden. Zijn taak bestond in het verschaffen van de geestelijke muziek bij het kerkelijk jaar en bij staatsbanketten. De neerslag van de jaren in de San Marco zijn te vinden in het monumentale Selva morale e spirituale uit 1640 en in het postuum verschenen Messa a quatro e Salmi (1651). Het wegvallen van elk financieel probleem stelde hem in staat om naast zijn muziek voor de kerk ook dramatische muziek en andere wereldlijke werken te componeren, die uitgevoerd werden ten huize van Venetiaanse personaliteiten en aan hofhoudingen buiten Venetië. En toen in Venetië een operahuis werd geopend, mocht Monteverdi het nog beleven dat zijn laatste grote werken er voor een groot publiek werden opgevoerd.
Na een kort verblijf in zijn geboortestad Cremona overleed Monteverdi in Venetië op 29 november 1643.
Hoewel nogal wat muziek van Monteverdi verloren is gegaan, blijft er heel wat over, getuigend van de belangrijke positie die Monteverdi bekleedde als sleutelfiguur tussen de Renaissancekunst en de Baroktijd. Dit is al meteen te merken aan de omvangrijke reeks madrigalen, die een mooie illustratie zijn van de ontwikkeling die Monteverdi doormaakte. Tussen 1587 en 1638 publiceerde hij niet minder dan acht madrigaalboeken; vooral vanaf het vijfde boek (1605) verliet Monteverdi resoluut de traditionele stijl die hij bij Marc’Antonio Ingegneri (1545/47-1592) had geleerd, om zich volop te richten op de vernieuwingen waarmee ook collega’s van hem experimenteerden. De ondertitel van Libro quinto was duidelijk: col basso continuo per il clavicembalo, chitarrone o altro en het eerste madrigaal Cruda Amarilla met de volledig onverwachte dissonanten op Cruda maakte meteen op rauwe wijze duidelijk welke weg de componist was ingeslagen.
In de boeken zes tot acht ontwikkelde Monteverdi zijn madrigaalkunst verder met o.a. composities als Lamento d’Arianna, dat hij uit zijn gelijknamige opera opnam in het zesde boek (1614), Tempo la cetra en Tirsi e Clori uit boek zeven (1619) en uiteraard met boek acht, Madrigali guerrieri e amorosi uit 1638, dat naast vele andere, het beroemde Il combattimento di Tancredi e Clorinda en het Ballo delle Ingrate bevat. En alsof dit nog niet volstond, werd na zijn dood in 1651 een negende boek gepubliceerd onder de titel Madrigali e Canzonette.
Monteverdi is de eerste componist wiens opera’s op de planken bleven tot in onze tijd. Slecht drie opera’s zijn in hun geheel tot ons gekomen: L’Orfeo in 1607, Il Ritorno d’Ullise in Patria uit 1641 en een jaar later L’Incoronazione di Poppea, waarmee hij de trend zette voor de Italiaanse operaproducties van de generatie na hem. Al de rest ging verloren, behalve het Lamento uit L’Arianna (1608).
Is het wereldlijke œuvre van Monteverdi kwalitatief indrukwekkend, zijn geestelijke muziek is dat niet minder. We vermelden hier nogmaals zijn Vespro della Beata Vergine uit 1610 en de magistrale bundel Selva Morale e Spirituale uit 1640, die een bloemlezing bevat door de componist zelf samengesteld van kerkmuziek, die hij vanaf 1613 als kapelmeester van San Marco in Venetië componeerde. Net als voor de wereldlijke muziek werd na zijn dood in 1650 postuum een bundel gepubliceerd onder de titel Missa a quatro voci et Salmi.





