Home / Alle componisten / Heinrich Schütz

Heinrich Schütz

Heinrich Schütz (1585-1672)

Heinrich Schütz, ook Henricus Sagittarius genoemd, werd in 1585, honderd jaar voor Bach en Haendel, in Köstritz (serdert 1926 Bad Köstritz) in Thüringen geboren. Op aanraden van de landgraaf Maurits van Hessen-Kassel, die de mooie stem van de jongen was opgevallen, kreeg hij aan het hof van Kassel een muzikale opvoeding, aangevuld met Latijn, Grieks en Frans. Beroepsmusicus worden was evenwel niet meteen zijn betrachting en pas op aandringen van dezelfde landgraaf liet Schütz zijn rechtenstudie in Marburg voor wat ze was en vertrok hij naar Venetië, waar hij van 1609 tot 1612 in de leer ging bij Giovanni Gabrieli (ca. 1553-1612). Naast de studie van het contrapunt en de kennismaking met de cori spezzati-techniek van zijn leermeester, leidde zijn verblijf ook tot een eerste belangrijke publicatie: een bundel madrigalen in de Italiaanse taal.

Van 1613 tot 1617 was Schütz als organist opnieuw werkzaam aan het hof in Kassel, vanaf 1617 tot aan zijn dood verbleef hij in Dresden als hofkapelmeester aan het hof van de keurvorst van Saksen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) verhuisde Schütz enkele keren naar Kopenhagen om aan het hof van Christian IV als kapelmeester de oorlog te ontvluchten. Ook reisde hij in 1628 een tweede keer naar Italië en ontmoette in Venetië Claudio Monteverdi. Vanaf 1644 verbleef hij meestal in Dresden, van waar hij meewerkte aan de heropleving van het Duitse muziekleven, dat tijdens de oorlog zware klappen had gekregen.

Zijn persoonlijk leven was niet steeds gelukkig: in 1619 huwde hij Magdalena Wildeck, maar zijn vrouw ontviel hem reeds in 1625, hem achterlatend met twee jonge dochters. En een van zijn kinderen overleefde haar vader niet en stierf reeds in 1655. Na de Dertigjarige Oorlog waren de leef- en werkomstandigheden in Dresden niet rooskleurig en toen ook in 1656 de toenmalige keurvorst Johann Georg overleed, trok Schütz zich terug in zijn geboortestad en tenslotte betrok hij een woonst in Weissenfels. In die laatste periode van zijn leven hield Schütz steeds contact met Dresden en componeerde hij, 86 jaar oud, zijn opus ultimum: de dubbelkorige zetting van psalm 110, 119 en het Duitse Magnificat (Meine Seele erhebt den Herren).

Heinrich Schütz overleed in Weissenfels na een beroerte op 6 november 1672.

Instrumentale muziek heeft Schütz ons niet nagelaten, ten minste werden er tot op heden geen instrumentale composities van hem gevonden. Ook veel van zijn vocaal werk kan zonder de inbreng van instrumenten worden gebracht en sommige zijn zelfs expliciet bedoeld om a capella te worden uitgevoerd.

Belangrijke werken zijn onder andere: Il primo libro de madrigali (1612), Psalmen Davids I & II (1619 & 1628/1661herziene uitgave boek II), Cantiones Sacrae (1625), Symphoniae Sacrae I, II & III (1629, 1647 & 1650), Musicalische Exequien (1636), de passieverhalen naar Matthaeus, Johannes en Lukas uit de jaren 1653 tot(1666, het verhaal van de geboorte (ca. 1660) en de verrijzenis (ca. 1623) van Jezus Christus, Die sieben Worte Jesu Christi (1645) en zijn Opus ultimum, het zo genaamde Das Schwanengesang (1671)