
Johann Sebastian Bach (1685–1750) was een Duitse componist en wordt algemeen beschouwd als een van de grootste meesters van de westerse muziekgeschiedenis. Zijn vocale oeuvre vormt een hoogtepunt van de barok en onderscheidt zich door een uitzonderlijke combinatie van theologische diepgang, muzikale structuur en expressieve kracht.
Op deze pagina vind je een overzicht van Bachs belangrijkste vocale werken, in het bijzonder al zijn cantates, passies, oratoria en motetten, met Nederlandse vertalingen van teksten en libretti die beschikbaar zijn als PDF. Deze vertalingen zijn bedoeld voor geïnteresseerde luisteraars, uitvoerders en studenten die de tekstinhoud, retoriek en muzikale opbouw van Bachs werken beter willen begrijpen.
-
Motetten
-
Oratoria
-
Passies
-
Wereldlijke cantates
-
Kerkcantates
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 |
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 | ||
€ 0,00 |
-
Inleiding
-
Leven
-
Oeuvre
-
Naslagwerken
Dit deel van de website presenteert Nederlandstalige vertalingen van vocale werken van Johann Sebastian Bach. Voor wat betreft de cantaten zijn een deel ervan verloren gegaan of slechts fragmentarisch tot ons gekomen. Cantaten die zo onvolledig zijn dat een uitvoering problematisch is werden niet opgenomen in deze vertaling.
Op details na namen we de Duitse teksten van de cantaten over uit het boek van Gilles Cantagrel (zie Naslagwerken). Dit boek bevat, naast een uitgebreide inleiding op het ontstaan van de cantate als genre en de plaats die het bekleedt in het œuvre van Bach, de Franse vertalingen van de teksten, alsook uitgewerkte analyses en commentaren op elk onderdeel van elke compositie, die we af en toe in ons notenapparaat verwerkten.
Voor het Weihnachts-Oratorium maakten we gebruik van de vertaling die Ignace Bossuyt presenteert in zijn boek over dat onderwerp (zie Naslagwerken), aangevuld met eigen vertalingen.
Vertalingen van het Oster-Oratorium en het Himmelfahrts-Oratorium realiseerden we door gebruik van Franse en Engelse vertalingen die te vonden bij CD-opnames. De motetten zijn eigen vertalingen, aangevuld met de bijbelvertaling uit 1951 door het Nederlandsch Bijbelgenootschap (in een uitgave van 1974) en de Willibrordvertaling uit 1993 door de Katholieke Bijbelstichting ’s Hertogenbosch in samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting en de uitgeverij TABOR, Brugge.
De oratoriumpassies (volgens Mattheus en Johannes) werden in een afzonderlijk luik behandeld, naast de cantaten, de oratoria en de motetten. Ook hier maakten we gebruik van voornoemde bijbelvertalingen.
Daar waar we de vocale en instrumentale bezetting vermelden, wordt dit aangegeven in de Italiaanse taal (zie voor vertaling en commentaar de lijst van instrumenten en termen).
In veel gevallen is het gebruik van een hoofdletter bij namen, plaatsen of zaken duidelijk. Het gebruik van een hoofdletter bij ‘woord’ en de samenstellingen met ‘woord’ vonden we niet evident. Wij gebruiken een hoofdletter voor het Woord, het Woord Gods, Gods Woord en Christus’ Woord’, maar in andere gevallen met dat begrip (zoals in uw woord, heiligmakend woord e.a.) staat een kleine letter.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Bach werd vermoedelijk geboren op 21 maart 1685 in Eisenach, als zoon van Johann Ambrosius en Elisabeth Lämmerhirt. Na het overlijden van zijn ouders werd hij samen met zijn broer Johann Jacob opgenomen in het gezin van zijn oudere broer Johann Christoph, organist in Ohrdruf, waar hij het lyceum bezocht.
Omwille van zijn mooie stem kreeg hij in 1700 de kans ingeschreven te worden in het schoolkoor van het Michaelisklooster van Lüneburg en in de lente van 1700 ondernam hij te voet de reis samen met zijn klasgenoot Georg Erdmann. In Lüneburg maakte Bach kennis met het werk van Georg Böhm en Johann Adam Reincken. Uitstapjes naar Celle brachten hem in contact met Franse muziek.
Na een tijdelijke betrekking als muzikant aan het hof in Weimar werd hij in 1703 tot organist benoemd in Arnstadt. Tijdens een uitstap naar Lübeck ontmoette hij Dietrich Buxtehude en leerde er zijn werk kennen. In 1707 aanvaardde hij de betrekking van organist in Mühlhausen. Hij huwde zijn achternicht Maria Barbara Bach, die hem twee dochters en vijf zonen schonk.
In 1708 werd Bach benoemd tot hoforganist en kamermusicus bij de hertogen Wilhelm-Ernst en Ernst-August in Weimar. Bach componeerde er veel van zijn orgelmuziek. Maar toen in 1716 Drese senior en niet hij tot hofkapelmeester benoemd werd, zocht hij een andere betrekking. Die vond hij in 1717 wanneer hij het aanzoek kreeg om als hofkapelmeester bij vorst Leopold von Anhalt-Köthen in dienst te treden. Bach zegde toe en vroeg zonder meer zijn ontslag in Weimar, maar hij werd opgesloten op 6 november en pas vrijgelaten op 2 december. Er volgde zogenaamd ‘oneervol ontslag’, waarna hij met zijn gezin naar Köthen kon vertrekken. Onder de stimulansen van de muziekminnende vorst componeerde Bach in Köthen veel van zijn instrumentale muziek.
In 1720 overleed Maria Barbara terwijl Bach samen met Leopold op reis was. Bij zijn terugkeer was ze reeds begraven. Het jaar daarop huwde hij met Anna-Magdalena Wilcke(n); zij baarde hem zes zonen en zeven dochters.
Toen ook Leopolds vrouw stierf en diens tweede vrouw, in de woorden van Bach, een a-musica bleek te zijn, begon Bach uit te kijken naar een nieuwe betrekking. Daarenboven zocht hij een geschiktere woonplaats om zijn zonen naar de universiteit te kunnen sturen en voelde hij de aandrang om terug kerkmuziek te componeren. Daarom stelde hij zich na de dood van Johann Kuhnau kandidaat voor de vrijgekomen post van cantor aan de Thomasschule in Leipzig. Omdat zowel Georg Philipp Telemann als Christoph Graupner hun kandidatuur introkken, werd Bach in 1723 toch nog aangenomen.
Tot 1730 vulde Bach zijn functies ten volle in en was hij zeer productief (Jaargangen met cantaten, passies en andere gelegenheidswerken). Na 1730 zag hij vooral toe op de uitgave van zijn werken en ging hij meer en meer zijn eigen weg.
Van 1729 tot 1737 leidde hij in Leipzig het Collegium Musicum, dat eerder was opgericht door Georg Philipp Telemann.
In 1747 reisde Bach naar Berlijn en ontmoette er Frederik de Grote. Das Musikalisches Opfer was het gevolg van deze ontmoeting.
Naar het einde van zijn leven kreeg Bach meer en meer last van ouderdomsdiabetes en werd hij stilaan blind. Twee oogoperaties mislukten. Hij stierf na een beroerte op 28 juli 1750, zonder dat hij Die Kunst der Fuge kon afwerken.
Hoewel veel verloren is gegaan en hij na zijn dood door het grote publiek volledig in de vergetelheid raakte, is de nalatenschap van Bach zeer groot en van onschatbare waarde voor de generaties die na hem kwamen, tot in onze tijd.
Alleen al voor het orgel bestaat de volledige uitgave van zijn werken uit 9 banden in de Edition Peters. Ook het œuvre voor klavierinstrumenten is omvangrijk met o.a. toppers als Das Wohltemperierte Klavier, de Engelse en Franse suites en de Goldbergvariationen. Verder componeerde Bach instrumentale muziek voor ensembles van diverse samenstelling, zowel als voor solo-instrumenten zoals viool, cello en traverso.
De vocale muziekproductie van Bach bestaat uit ca. 200 bewaard gebleven kerkcantates, ca. 30 gelegenheidscantates, twee oratoriumpassies, enkele oratoria, motetten en een Magnificat. Verder een aantal Missae Breves en de monumentale Hohe Messe. Tot slot worden Das Musikalisches Opfer en Die Kunst der Fuge tot op vandaag door heel wat professionele muzikanten maar ook door veel leken als onovertroffen meesterwerken ervaren, getuigend van de geniale persoonlijkheid die Bach was.
Daarom eindigen we met een passend fragment van de hand van Bachs eerste biograaf Johann Nicolaus Forkel, die in 1802 schreef: Uiteindelijk was het alleen door het samengaan van immens genie met niet aflatende studie dat Johann Sebastian Bach in staat was om, bij wat hij ook aanpakte, de grenzen van zijn kunst zo enorm op te trekken dat zijn opvolgers niet in staat zijn gebleken om dit uitgebreide domein zelfs maar te handhaven. Alleen door dit vermogen lukte het hem zo vele en zo volmaakte werken te scheppen, werken die stuk voor stuk waarachtige idealen en onvergankelijke voorbeelden van kunst zijn, en dat altijd zullen blijven.
Bossuyt, Ignace. Het Weihnachts-Oratorium van Johann Sebastian Bach – Universitaire Pers Leuven, 2002.
Bossuyt, Ignace. Van noten en tonen, wegwijs in muzikale begrippen – Davidsfonds/Leuven, 2010
Cantagrel, Gilles. Les Cantates de J.-S. Bach, textes, traductions, commentaires – Fayard/Paris, 2010
Gardiner, John Eliot. Bach, muziek als een wenk van de hemel – De Bezige Bij/Amsterdam, 2014
Nederlandse vertaling door Frits van der Waa en Pon Ruiter van Music in the Castle of Heaven (Allen Lane/London, 2013)
Stouten, Bart. Bart Stouten over Bach, een chaconne in woorden – Uitgeverij Vrijdag/Antwerpen, 2017
Van Hoof, Guido. Johann Sebastian Bach, cultuurhistorisch portret – Uitgeverij Pelckmans/Kapellen, 1995
Wolff, Christoph. Johann Sebastian Bach, zijn leven, zijn muziek, zijn genie – Erven J. Bijleveld/Utrecht, 2000
Nederlandse vertaling onder redactie van Clemens Romijn van Johann Sebastian Bach; the learned musician (W.W. Norton & Co./New York, 2000)






