
-
Werken
-
Leven
-
Oeuvre
Jan Dismas Zelenka (1679-1745)
Zelenka werd geboren in het Boheemse Louňovice pod Blaníkem (Duits: Launowitz) nabij Praag. Hij ontving zijn eerste muzieklessen waarschijnlijk van zijn vader, de plaatselijke cantor en organist. Daarna bezocht hij zeer waarschijnlijk het Jezuïetencollege te Praag, waaraan hij in de periode 1704-1723 ook enkele composities leverde. In 1709 was hij als musicus verbonden aan de huishouding van de keizerlijke stadhouder Johann Hubert Ritter von Hartig. In 1710-1711 verhuisde hij naar Dresden, waar hij als bassist in de hofkapel van August de Sterke werd aangenomen. Dit orkest, waaraan Zelenka voor de rest van zijn leven verbonden bleef, groeide gaandeweg uit tot een van de beste orkesten van Europa.
De jaren 1716-19 stonden voor Zelenka in het teken van studie en verdieping. Veel blijft over deze periode onduidelijk. Zelenka maakte studiereizen naar Wenen en naar Italië. Hij bezocht Venetië en was enige tijd leerling van de componist Antonio Lotti. Ook Allesandro Scarlatti zou hem les gegeven hebben. Vanaf 1716 verbleef hij met grote regelmaat in Wenen, waar hij in contrapunt les kreeg van de in zijn tijd vermaarde keizerlijke kapelmeester Johann Joseph Fux en zelf gaf Zelenka les in contrapunt aan Johann Joachim Quantz.
Terug in Dresden nam Zelenka vanaf 1719, samen met kapelmeester Johann David Heinichen, de taak op zich de composities te verzorgen voor de nieuw gebouwde hofkerk van Augustus de Sterke, die katholiek was geworden om de troon van Polen te kunnen verwerven. Vanaf 1720 groeide Dresden onder hun handen uit tot het centrum van katholieke kerkmuziek in de Duitstalige landen. Zelenka’s belangrijkste composities uit deze jaren zijn de 27 Responsoria pro Hebdomada Sancta (ZWV 55) en zijn zes triosonates (ZWV 181).
In 1723 ontving hij van het Jezuïetencollege Collegium Clementinum in Praag de opdracht om een Melodrama de Sancto Wenceslao (ZWV 175) te componeren ter gelegenheid van de kroning van keizer Karel VI tot koning van Bohemen. De uitvoering in september 1723 in het bijzijn van het keizerlijke echtpaar werd voor Zelenka een artistieke triomf. Misschien ook in verband met de kroningsfeesten ontstonden in 1723 een aantal orkestwerken (ZWV 186-189).
In 1726 begon Zelenka een lijst op te stellen van zijn composities. Ondanks zijn grote inzet voor de Dresdense hofkapel (hij nam veelvuldig de plaats in van de zieke kapelmeester Heinichen) behield hij het magere salaris van een gewoon orkestlid. Toen Heinichen in 1729 stierf, nam Zelenka al diens verantwoordelijkheden op zich. Het is uit enkele geschriften aan zijn werkgever duidelijk dat de componist vergeefs verwachtte dat hij Heinichen zou opvolgen. Waarschijnlijk omdat hij de modieuze nieuwe opera in zijn stad wilde bevorderen, benoemde de Saksische keurvorst en Poolse koning in 1733 niet de traditionele Zelenka, maar de jongere aanstormende operacomponist Johann Adolf Hasse tot kapelmeester. In plaats daarvan ontving de oudere componist enkele jaren later de benoeming van hofcomponist en in 1735 van Kirchen-Compositeur en daarmee een verhoging van zijn salaris.
Vanaf 1733 liep de compositorische activiteit van Zelenka snel terug. Zijn gezondheid liet vanaf 1735 waarschijnlijk steeds meer te wensen over en er zijn aanwijzingen dat hij betrokken raakte in een slepende rechtszaak. Desondanks ontstonden in deze jaren zijn belangrijkste werken: vijf missen, waaronder de drie zogenaamde Missae Ultimae (1740-1741). Zelenka stierf in 1745.
Noot: De aan Jan Dismas Zelenka toegeschreven afbeelding is naar alle waarschijnlijkheid geen authentiek portret. Aangezien zij in de literatuur en op diverse platforms desalniettemin frequent met de componist wordt geassocieerd, is ervoor gekozen deze afbeelding hier omwille van de visuele kracht van site te hanteren.
Het œuvre van Zelenka is omvangrijk, vooral het vocale werk: 20 missen, meerdere Requiems en andere werken voor de dodenmis, composities voor de Goede Week, meer dan 30 psalmzettingen, litanieën en Te Deums en motetten voor soli, koor en orkest. Tenslotte vier oratoria: Melodrama de Sancto Wenceslao, Il serpente di bronzo, Gesu al Calvario en I penitenti al sepolchro del Redentore.
Ook op instrumentaal vlak was de bijdrage van Zelenka niet zonder belang: naast meerdere werken voor orkest behoren zijn Sei Sonate à due Hautbois, Violino et Basson con Basso Continuo, die uitzonderlijke vaardigheden veronderstellen bij de hobo- en fagotspelers, tot zijn bekendste werken. Van deze vooruitstrevende kamermuziek is de structurele en thematische complexiteit in deze periode alleen te vergelijken met het werk van Johann Sebastian Bach.
De grote kwaliteit van zijn muziek heeft er terecht voor gezorgd dat Jan Dismas Zelenka de Boheemse Bach wordt genoemd.


