
-
Werken
-
Leven
-
Oeuvre
Pierre (de la) Rue (ca. 1460-1518)
Over zijn jeugd en opleiding is weinig bekend. Pierre de la Rue is vermoedelijk in Doornik geboren en muzikaal opgeleid aan de Doornikse kathedraal. Hij wordt voor het eerst vermeld als zanger in de Brusselse Sint-Goedele in 1469-1470. In 1471 is hij in Gent verbonden aan de Sint-Jacobskerk, vervolgens zou hij in dienst zijn genomen in Nieuwpoort (van 1472 tot ongeveer 1477), Keulen (tot 1489), en Kamerijk (onbekende datum), zowel als in St Ode (datum en stad zijn niet identificeerbaar). Sommige biografen vermoeden dat hij ook naar Italië trok en in Siena verbleef (tussen 1482 en 1485), maar deze visie wordt betwist. Van 1489 tot maart 1492 is hij verbonden aan de kathedraal van ’s Hertogenbosch als tenorzanger.
In 1492 wordt de la Rue lid van de hofkapel van aartshertog Maximiliaan, die vanaf 1493 door zijn zoon Philips de Schone wordt overgenomen en na diens dood in 1506 door zijn vrouw Johanna van Castilië.
Vanaf 1508 vinden we de la Rue terug in de Nederlanden als hij lid van de hofkapel van Margaretha van Oostenrijk. Hij groeit er uit tot de lievelingscomponist van de hertogin. In haar beroemde chansonboeken (Koninklijke Bibliotheek Brussel, Ms. 228 en 11329) staan niet minder dan vijftien van zijn composities, waaronder het lied Mijn hert altijt heeft verlanghen.
Van 1514 tot 1516 behoort hij tot de persoonlijke kapel van de latere keizer Karel V en reist hij met hem door de Nederlanden. Hij trekt zich nochtans begin 1516 in Kortrijk terug, waar hij kanunnik wordt aan de O. L. Vrouw-kerk. De la Rue overlijdt in 1518 en is in Kortrijk begraven.
De la Rue schreef missen, motetten, magnificats, zettingen van de lamentaties en chansons. Het œuvre van de la Rue vertoont alle stilistische eigenschappen van de muziek omstreeks 1500: geënt op de Bourgondische traditie, anderzijds ook rekening houdend met de vernieuwingen die door zijn generatiegenoot Josquin Desprez werden geïntroduceerd.

