Home / Alle componisten / Jean-Philippe Rameau

Jean-Philippe Rameau

Jean-Philippe Rameau (1683-1764)

Rameau werd geboren in Dijon als zevende van elf kinderen. Zijn eerste en wellicht enige muzikale opvoeding kreeg hij van zijn vader, een organist in Dijon. Ook zijn broer Claude en zijn zus Catherine waren muzikaal begaafd en bouwden een muzikale carrière uit. Rameau liep school in het jezuïetencollege van Dijon, maar in 1701 trok hij als 18-jarige naar Italië, dat toen voor de Europese muziek de toon aangaf. De jonge Rameau vond de Italiaanse muziek echter niet veel zaaks en na een jaar keerde hij naar Frankrijk terug. Hij was er werkzaam in meerdere Franse steden: Avignon, Clermont-Ferrand, Parijs, Dijon (als opvolger van zijn vader), Lyon, nogmaals Clermont-Ferrand. In 1722 was hij terug in Parijs om er definitief te blijven.

Daar publiceerde hij in 1722 zijn Traité de l’harmonie réduite à ses principes naturels, dat hij al in in Clermont-Ferrand geschreven had. Het is een belangrijk en invloedrijk werk over muziektheorie dat Rameau in één klap beroemd maakte. Samen met het aanvullende Nouveau Système de musique theorique in 1726 vormde het werk de basis voor de moderne akkoord- en harmonieleer.

Voor Rameau was het probleem dat hij in Parijs eerder als savant en philosophe werd ervaren die met kennis van zaken sprak over intervallen, toonladders en akkoorden, maar niet meteen als componist. Rameau was zich hiervan bewust en bij gebrek aan andere mogelijkheden publiceerde hij enkele boeken met klavecimbelmuziek en verdiende verder de kost als leraar en organist.

Alles veranderde toen Rameau in Parijs kennis maakte met Alexandre-Jean-Joseph Le Riche de la Pouplinière, de immens gefortuneerde rentmeester van Lodewijk XV, koning van Frankrijk. De la Pouplinière werd de mecenas van Rameau en liet hem met zijn familie in zijn château wonen. Van 1731 tot 1753 leidde Rameau het privéorkest van de la Pouplinière en was hij verantwoordelijk voor de vele concerten en operavoorstellingen die in het paleis werden gecreëerd. Daarnaast gaf Rameau les op het klavecimbel aan Madame de la Pouplinière, terwijl zijn eigen vrouw, die een talentvolle klavecimbelspeelster was, vaak zijn composities speelde tijdens de concerten op het château.

Zijn ambitie om naam te maken als operacomponist werd spoedig gerealiseerd toen de la Pouplinière de zaak in handen nam. Vanaf 1733 werden meerdere succesrijke opera’s op de planken gezet: Hippolyte et Aricie, Les Indes galantes, het meester werk Castor et Pollux, Les Fêtes d’Hébé ou les talents lyriques en Dardanus.

Als komponist en theoreticus ondervond Rameau evenwel ook veel tegenwerking, vooral van Jean-Jacques Rousseau die hem een dilettant noemde. Naar aanleiding van zijn visie op de muziek ontstond een vinnige partijtwist, die een internationaal karakter kreeg: de volgelingen van Rousseau waren pro-Italiaans; de Italiaanse taal was volgens hen als enige adequaat voor de muziek, omdat ze zacht, klankvol, harmonisch en wel geaccentueerd klonk. De volgelingen van Rameau waren pro-Frans: de Franse muziek was gekenmerkt door volle orkestratie, gecompliceerde polyfonie en harmonische zettingen. De antithese woedde nog lang na Rameau’s dood, doch het persoonlijke succes van Rameau was verzekerd, sinds hij in 1745 Compositeur de cabinet werd van Lodewijk XV.

De laatste jaren van zijn leven besteedde Rameau grotendeels aan polemische geschriften en theoretische essays. Hij stierf in Parijs in 1764. Tot het laatst was hij niet klein te krijgen en bleef hij de perfectionist die hij altijd was geweest, want zelfs op zijn sterfbed vond hij nog de kracht om de geestelijke die hem de laatste sacramenten kwam toedienen te verwijten dat hij slecht psalmodieerde.

Rameau componeerde meerdere opera’s, waarvan enkele belangrijke werden vermeld bij de beschrijving van zijn leven. Daarnaast opera-balletten, cantaten, motetten en vier boeken met klavecimbelmuziek (1706, 1724, 1729/30 en 1736). Tenslotte diverse theoretische werken.

Het werk van Rameau kan men samenvatten in drie aspecten. In de heroïsche, grootse stijl van zijn vroege opera’s en zijn opera-balletten is hij representatief voor de Laat-Barok en vergelijkbaar met Bach en Haendel. Zijn heroïsche kwaliteiten gaan steeds gepaard met, en worden soms verdrongen door de typische Franse helderheid, gratie, matiging en elegantie, alsmede een voortdurend streven naar het beeldende. In dat opzicht is hij te vergelijken met zijn tijdgenoot Watteau. Ten slotte was hij, en dit is al even typisch Frans, zowel een philosophe als componist, zowel een analyticus als een scheppend kunstenaar, in welk opzicht hij te vergelijken is met zijn tijdgenoot Voltaire.

Zodoende was hij een van de meest complexe en tegelijk een van de meest productieve muzikale persoonlijkheden van de 18de eeuw.

 

o.c. Donald J. Grout & Claude V. Palisca. Geschiedenis van de westerse muziek. Nederlandse vertaling door Frans Brand, Robert Vernooy & Oscar van den Wijngaard van A History of Western Music. Uitgave Olympus, 1994