Home / Alle componisten / Jean-Baptiste Lully

Jean-Baptiste Lully

portret van Jean-Baptiste Lully

Jean-Baptiste Lully (1632–1687) was de centrale figuur van het Franse baroktheater en de hofcomponist van Lodewijk XIV. Zijn opera’s combineren majestueuze muziek met dramatische expressie en leggen de basis van het tragédie en ballet op het Franse hof.

Op Lyrica vind je Nederlandse vertalingen van zijn opera’s en van de pastorale-héroïque Acis et Galatée, zodat je de teksten kan volgen, bestuderen en beter begrijpen in hun oorspronkelijke muzikale context.

Jean-Baptiste Lully  (1632-1687)

Als zoon van een molenaar werd Lully geboren in Firenze onder de naam Giovanni Battista Lulli. In 1646 trok hij naar Frankrijk, waar hij werd opgemerkt door graaf de Guise, die hem meenam naar Parijs en hem als page onder de hoede stelde van Anne-Marie Louise van Orléans, hertogin van Montpensier, bekend als La Grande Mademoiselle, een nicht van Lodewijk XIV. Zijn opvallende talenten in de muziek leidden ertoe dat Lully opgenomen werd als violist in de huiskapel en hij zich verder kon bekwamen in compositieleer en het bespelen van het klavecimbel.

Toen in 1652 de hertogin, die deel had uitgemaakt van de opstand tegen de koning (La Fronde), Parijs moest verlaten, werd Lully opgenomen aan het hof, waar hij het volgende jaar samen met de koning het Ballet de la Nuit danste en meteen tot hofcomponist werd benoemd. Als violist speelde hij in het koninklijke orkest Les vingtquatre violons du Roy en kon ook zijn eigen ensemble vormen: Les petits violons. De benoemingen aan het hof volgden elkaar snel op, Lully werd in 1661 genaturaliseerd tot Fransman en huwde in 1662 met de dochter van de componist Michel Lambert, Madelaine, die hem drie zonen schonk: Louis, Jean-Baptiste jr. en Jean-Louis.

Aanvankelijk componeerde Lully veel divertimenti in Italiaanse stijl en balletten, waarmee hij grote invloed uitoefende op de dansstijl aan het hof en op Lodewijk XIV zelf, een groot liefhebber van de danskunst. Zijn vriendschap en samenwerking met Molière resulteerde daarnaast in een aantal comédies-ballets waarvan Le bourgeois gentilhomme uit 1670 wellicht het bekendste is. In 1672 en 1673 slaagde Lully erin de privileges van de oprichter van de Parijse opera, Abbé Pierre Perrin en van Robert Cambert over te nemen en van de koning de toestemming te krijgen tot de oprichting van de overkoepelende Académie royale de musique, waar hij directeur van werd. Zodoende verzekerde Lully zich van het monopolie over de Franse opera en bepaalde hij in grote mate de ontwikkeling ervan in Frankrijk, maar ook daarbuiten. Vanaf datzelfde jaar 1673 componeerde Lully tot aan zijn dood veertien Tragédies-lyriques, waarvan elf in samenwerking met de librettist Philippe Quinault.

Lully kwam op 54-jarige leeftijd aan zijn einde door een merkwaardig incident. Het gebeurde tijdens het dirigeren van een Te Deum, op 8 januari 1687, dat werd uitgevoerd om de genezing van de koning na een ziekte te vieren. Zoals het de gewoonte was, gaf Lully de maat aan door met een lange stok op de grond te stampen. Per ongeluk raakte hij hierbij een van zijn tenen en wel zo hard dat hij zich ernstig verwondde. Volgens de overlevering kreeg hij door de infectie gangreen. Dit resulteerde in zijn dood op 22 maart van dat jaar.

Het œuvre van Lully is onlosmakelijk verbonden met de figuur van Lodewijk XIV en de maatschappelijke context die rondom de Zonnekoning heerste. Lully’s muziek straalt Franse grandeur uit en toont de formele luister van het Franse hof met verwijzingen naar hoofse liefde, ridderlijkheid en een grote portie verheerlijking van de absolute vorst als weldoener en vredebrenger. Op het vlak van de opera creëerde  Lully hiermee de Franse tegenhanger van de Italiaanse opera en dat ondanks de moeilijkheden van de Franse taal om de zangerigheid van het Italiaans te benaderen. In tegenstelling tot de Italianen is er bij Lully geen groot onderscheid tussen aria en recitatief. Recitativo secco en Da capo-aria, zo typisch voor de Italiaanse opera, zijn bij Lully veel minder uitgesproken en vaak volledig afwezig. Vooral de spectaculaire koren, de dansen en de balletscènes vormen, samen met de typische Ouverture à la Française, dé aantrekkingspolen van een operagenre dat als een unieke creatie van zijn hand mag worden beschouwd. Naast veertien Tragédie-lyriques schreef Lully heel wat muziek voor het theater: balletten, mascarades, intermedia, pastorale stukken en aria’s. En hoewel Lully vooral een man van het theater was, componeerde hij ook kerkmuziek: dubbelkorige motetten Pour la chapelle du Roy, zes Grands motets en meer dan tien Petits motets. Ook zijn instrumentale œuvre is omvangrijk: veel composities zijn afkomstig uit zijn opera’s, maar los daarvan componeerde Lully ook veel gelegenheidsmuziek in diverse bezettingen voor feestelijkheden aan het Franse hof.