
-
Werken
-
Leven
-
Oeuvre
Henry Purcell (ca. 1659-1695)
Over het leven van deze grootste der Engelse componisten is bedroevend weinig bekend. Vermoedelijk werd Purcell geboren in 1659 in Westminster, Londen. Net als zijn vader (Henry senior) werd hij als tienjarige koorknaap opgeleid in de Chapel Royal, waar hij leerling was van Henry Cooke en Pelham Humfrey, zelf een leerling van Jean-Baptiste Lully, die hem de Franse muziek leerden kennen. Ook John Blow was zijn leraar, met wie hij zijn leven lang bevriend bleef. Daarnaast bracht Matthew Locke, een huisvriend van de familie Purcell, hem zeker in contact met de Engelse toneelmuziek.
Purcell begon zeer vroeg te componeren: zijn eerste compositie dateert reeds uit 1670, een ode naar aanleiding van de geboortedag van de koning. In 1679 volgde hij John Blow op als organist van Westminster Abbey. Als negentienjarige werd Purcell aan het hof van Charles II aangeworven als componist en in 1682 werd hij organist aan de Chapel Royal en Keeper of the King’s instruments. Ook onder de regeringen van James II en Mary II Stuart bleef hij in dienst aan het hof. Purcell huwde (rond 1681?) met Frances Peters, dochter Johan Baptist, een immigrant uit Vlaanderen.
Over zijn dood gaat het verhaal dat hij stierf aan de verkoudheid, opgelopen toen hij ’s nachts terugkeerde van het theater en zijn vrouw hem had buiten gesloten. Een ander theorie spreekt van tuberculose als doodsoorzaak.
Purcell stierf op 21 november 1695 op een leeftijd van 36 jaar. Zijn graf bevindt zich in Westminster Abbey.
Henry Purcell wordt beschouwd als de belangrijkste componist van Engelse bodem en reeds tijdens zijn te korte leven werd hij als dusdanig erkend en gevierd. Het is jammer dat hij door zijn functies zelden in de mogelijkheid verkeerde om al zijn muzikale kwaliteiten te ontplooien, zeker op het vlak van de opera. Maar wat hij componeerde demonstreert van begin tot einde zijn enorme talent. Zo blijft het lamento van Dido uit zijn enige opera Dido and Aeneas een der meest doorvoelde en ontroerendste momenten uit de operageschiedenis. Doorheen zijn muziek laten melodische en ritmische inventie, harmonische wendingen, gebruik van dissonanten en modulaties vaak een diepgang en gedurfdheid zien die enkel bij Bach en Haendel terug te vinden zijn.
Naast de reeds genoemde Dido and Aeneas schreef Purcell muziek voor zogenaamde semi-opera’s: Dioclesian, King Arthur, The Fairy Queen (bewerking van Shakespeares MidsummerNight’s Dream), The Indian Queen en The Tempest. Het vocale œuvre van Purcell wordt verder aangevuld met kerkmuziek voor diverse gelegenheden, waaronder 60 anthems, 25 odes o.a. voor de verjaardag van koningin Mary II Stuart, muziek naar aanleiding van haar overlijden, odes voor de vieringen van St. Cecilia, patrones van de muziek, alsook 150 liederen voor één of twee stemmen met basso continuo.
Zijn instrumentale werken zijn niet minder opmerkelijk: in ongeveer 50 toneelwerken komen instrumentale passages (ouverture, air, dans) voor van zijn hand: The Married Beau, The Gordion Knot Untied, Abdelazer, Sir Anthony Love en vele andere. Naast de instrumentale muziek voor de vele toneelproducties is ook de kamermuziek van Purcell van uitzonderlijke kwaliteit: fantasia’s voor gamba-ensemble, drie- en vierstemmige sonaten voor twee violen en continuo en vele composities voor klavierinstrumenten en orgel.


