
-
Werken
-
Leven
-
Oeuvre
Giulio Caccini (ca. 1545-1618)
Als zoon van een timmerman bleek zijn talent voor de muziek snel duidelijk. Hij werd in Firenze als zanger opgenomen aan het hof van de familie Medici en nadat hij zich in Rome verder bekwaamd had als instrumentalist, werd Caccini vanaf 1570 als vaste muzikant werkzaam aan het Florentijnse hof. Eveneens in Firenze kwam hij in contact met de Camerata dei Bardi (ook Camerata Fiorentina genoemd). De graaf Bardi had rond zich een aantal vooraanstaande humanisten, geleerden en kunstenaars verzameld waaronder Vincenzo Galilei (zoon van Galileo), Jacopo Peri en Ottavio Rinuccini. Vanuit hun visie op de uitvoeringspraktijk van de Griekse tragedies ontwikkelde de Camerata nieuwe inzichten rond muziekcompositie, die ingingen tegen de complexiteit van de gangbare polyfone muziekpraktijk. Voor de leden van de Camerata diende de muziek ten dienste te staan van het woord en niet omgekeerd, wat resulteerde in het promoten van solozang met eenvoudige akkoordbegeleiding: de monodie en de stile rappresentativo met basso continuo als begeleidingsapparaat.
Vanaf de jaren tachtig van de 15de eeuw werd duchtig geëxperimenteerd met deze techniek en ook Caccini liet zich hierin niet onbetuigd. Zo had hij onder andere een aandeel in de Intermedii bij het theaterstuk La Pellegrina dat in 1589 in samenwerking met meerdere componisten werd gerealiseerd ter gelegenheid van het huwelijk van Ferdinando I de’Medici met Christine de Lorreine.
Caccini mag beschouwd worden als de eerste componist die een opera liet opvoeren: La Dafne uit 1598. Jammer genoeg zijn tekst en muziek van dit werk verloren gegaan. Daarom wordt niet 1598 maar het jaar 1600 beschouwd als het ontstaansjaar van de opera. In 1600 ging Caccini de concurrentie aan met Jacopo Peri om als eerste Euridice op een tekst van Ottavio Rinuccini op de planken te brengen. Peri won het pleit, maar Caccini slaagde er sneller dan zijn concurrent in om zijn versie in druk te laten verschijnen, waarna de opvoering plaatsvond in 1602. Ondertussen was in 1601 ook zijn eerste bundel madrigalen en liederen verschenen onder de titel, Le Nuove Musiche, waarin Caccini zich onbeschaamd als de bedenker van de stile rappresentativo voorstelde, terwijl dit eerder een gevolg was van enkele decennia experimenteren en discussiëren in de schoot van de Camerata.
Caccini stierf in 1618 en werd begraven in de Santa Annunziata in Firenze. Tot zijn muzikale erfenis mag zeker zijn dochter Francesca Caccini (1587-na mei 1641) niet onvermeld blijven. Naast werken in monodische stijl was zij de componiste van minstens dertien werken voor het theater, waarvan alleen La liberazione di Ruggiero dall’isola d’Alcina uit 1625 niet verloren ging.
Naast de verloren gegane Dafne uit 1598, zijn enkel twee bundels met monodische madrigalen en liederen van Caccini bekend: Le Nuove Musiche uit 1601 en een tweede bundel uit 1614. Daarnaast leverde Caccini ook een belangrijke bijdrage aan de opera Il Rapimento di Cefalo uit 1601 en het jaar daarop realiseerde hij een Euridice.


