Home / Alle componisten / Emilio de’Cavalieri

Emilio de’Cavalieri

portret van Emilio de'Cavalieri

Emilio de’Cavalieri (ca. 1550 – 1602)

Emilio de’Cavalieri was een telg uit een aristocratische en muzikale Romeinse familie. Zijn muzikale vorming kreeg hij dan ook in de eerste plaats binnen de eigen huiskring. Vanaf 1568 trad hij toe tot de Congregazione del Crocifisso, waar hij de muzikale activiteiten leidde en vanaf 1578 bekleedde hij in zijn geboortestad dezelfde functie in het Oratorio del Crocifisso di S. Marcello. Zodoende raakte hij bevriend met kardinaal Ferdinando de’Medici (1549-1609). Toen deze in 1587 zijn broer Francesco I opvolgde als Groothertog van Toscane, nodigde hij het volgende jaar Cavalieri uit naar Firenze om daar de leiding op zich te nemen van musici, kunstenaars en ambachtslui o.a. bij de vele Intermedii, theaterstukken met dans en muziek, die tijdens festiviteiten van de Medici-familie werden opgevoerd.

Op die manier kwam Cavalieri in contact met graaf Giovanni de’Bardi (1534-1612), oprichter van de Camerata de’Bardi, ook Camerata Fiorentina genaamd, waarvan heel wat Florentijnse kunstenaars en intellectuelen lid waren en die in die jaren onder andere discussieerden over de manier waarop de Griekse tragedies zouden zijn opgevoerd. Zij waren vooral geïntrigeerd door de antieke beschrijvingen van het morele en emotionele effect dat de uitvoering van de tragedies hadden, een effect dat ook zij wilden bereiken door de tekst in een soort zingend spreken, recitar candando, te laten voordragen, ondersteund door een eenvoudige instrumentale begeleiding. De verstaanbaarheid van de tekst stond voor hen op de eerste plaats, in tegenstelling tot het vaak onbegrijpelijke tekstverloop van de polyfone composities uit de tweede helft van de 16de eeuw.

In de laatste decennia van die eeuw werd er in Firenze duchtig geëxperimenteerd met deze nieuwe zogenaamde monodische stijl, met als eerste apotheose de festiviteiten tijdens het huwelijk van de groothertog Ferdinando met Christine de Lorraine (1565-1637) in 1589. Bij die gelegenheid werd een theaterstuk opgevoerd, La Pellegrina, dat werd opgeluisterd met zes Intermedii. Aan de realisatie hiervan namen naast Giovanni de’Bardi, ook Ottavio Rinuccini (1563-1621) en Giovan Battista Strozzi (1551-1634) deel, alsook meerdere componisten: Cristofano Malvezzi (1547-1599), Luca Marenzio (ca. 1554-1599), Giulio Caccini (ca. 1545-1618), Jacopo Peri ((1561-1633) en ook Emilio de’Cavalieri zelf, die zich door zijn zelfbewust optreden de afgunst van Caccini en Peri op de hals haalde.

In de daarop volgende jaren werden nog drie pastorales van Cavalieri opgevoerd: Il Sariro, La Disperatione di Fileno en Il Giuoco della Cieca. En naast deze muzikale activiteiten werd Cavalieri ingezet als diplomaat en reisde hij meerdere keren naar Rome in functie van de verkiezing van Innocentius IX (1519-1591) en Clemens VIII (1536-1605), die geacht werden de Medici-familie te kunnen begunstigen.

Tijdens deze trips maakte Cavalieri kennis met de Congregazione dell’Oratorio. Deze vereniging, gesticht door Filippo Neri (1515-1595), ageerde in de geest van de Contrareformatie en het Consilie van Trente (1545-1563). Het was de bedoeling van Filippo Neri om bij de gelovigen de moderne, individuele vormen van devotie te stimuleren door tijdens samenkomsten te luisteren naar sermoenen en samen eenvoudige liederen te zingen, de zogenaamde lauden.

De rivaliteiten waarmee Cavalieri geconfronteerd werd in Firenze deden hem in 1599 besluiten terug te keren naar Rome. Daar kwam hij terecht in een stad die zich volop voorbereidde op de festiviteiten naar aanleiding van de viering van het heilige jaar 1600. Cavalieri aarzelde niet om een libretto van Agostino Manni (1548-1618), Rappresentatione di Anima, et di Corpo op muziek te zetten, gebruik makend van zijn recent opgedane kennis in Firenze omtrent de monodische stijl. Ook de eenvoudige samenzangen die hij via Filippo Neri had leren kennen, kwamen in dit werk uitgebreid aan de orde. De première voor het Romeinse publiek vond plaats op 17 februari in het Oratorio della Vallicella.

Emilio de’Cavalieri stierf twee jaar later op 11 maart 1602 in Rome. Hij werd begraven in de Cappella de’Cavalieri in de Santa Maria in Ara Coeli. Zijn graf verdween tijdens renovatiewerkzaamheden in de 18de eeuw. In maart 2002 werd in de kapel een vervangende plaquette geplaatst ter herdenking van zijn begrafenis met de tekst (in vertaling):

 

Emilio de’Cavalieri

Romeins edelman,

innovatief en getalenteerd componist,

schepper van de eerste opera’s,

opzichter van alle musici

en kunstenaars aan het hof van de Medici,

conservator van de Romeinse senaat en het volk.

Hier begraven op 11 maart 1602

Op de vierhonderdste verjaardag van zijn dood.

Œuvre

Hoewel het œuvre van Emilio de’Cavalieri beperkt is (althans voor zover we weten), is zijn invloed niet te onderschatten: zijn Rappresentatione di Anima, et di Corpo is, net als Orfeo van Monteverdi, zonder meer een mijlpaal in de muziekgeschiedenis. Wat Orfeo betekende voor de ontwikkeling van de opera, is de Rappresentatione voor het ontstaan en de ontwikkeling van het oratorium. En net als bij Monteverdi behoort de muziek van Cavalieri tot een van de schoolvoorbeelden van de nieuwe stijl, die vanaf ca. 1580 ophef maakte en die zo’n grote invloed zou uitoefenen op het verloop van de muziek in de 17de en de 18de eeuw.

In het voorwoord van haar CD-uitgave verwoordt Christina Pluhar de betekenis van de Rappresentatione als volgt: “Echt succes is succes dat veel verder reikt dan de omstandigheden van het moment, dat de harten van mensen raakt en een mijlpaal vormt in de ontwikkeling van de kunst, zonder welke latere werken niet mogelijk zouden zijn geweest. In de muziekgeschiedenis kan altijd een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen politieke of religieuze propaganda enerzijds en echte kunst anderzijds. De complexiteit en het geniale van dit werk gaan veel verder dan een banale illustratie van de christelijke morele opvattingen die tijdens de Contrareformatie gangbaar waren. Het lijkt alsof Cavalieri zijn eigen Angelo Custode volgt, die hem na ruzies en teleurstellingen opnieuw de weg naar succes wijst; want artistiek succes, wanneer het wordt geleid door loyaliteit en talent, is altijd tegelijkertijd de uitdrukking van een geleefde spiritualiteit. Cavalieri ‘verslaat’ zijn rivalen omdat hij een ondraaglijke situatie opgeeft, zijn eigen weg erkent, zijn kansen grijpt en zo de mogelijkheid krijgt om zijn levenswerk tot stand te brengen.”

Behalve de Rappresentatione en de reeds vernoemde pastorales, componeerde Cavalieri ook madrigalen en monodische liederen, alsook een reeks lamentaties onder de titel Lamentationes Hieremiae Prophetae. Daterend uit 1599, werden ze vermoedelijk voor het eerst tijdens de week voor Pasen in Pisa uitgevoerd. Het zijn de enige liturgische werken van Cavalieri die tot ons zijn gekomen.